National Theater of Belgium

L'enjeu de la nouvelle construction du Théâtre National, anciennement caché au sein de la Tour Martini détruite en 1999, fut de donner une nouvelle visibilité à cette institution majeure, tout en offrant une transparence sur ses activités. Dans le même temps, la volonté de fournir un outil performant à l'ensemble des travailleurs du spectacle a commandé une très grande rationalité dans les plans poussant l'architecture à l'essentiel.

Un dialogue avec la ville et le théâtre  

Situé sur un terrain exigu le long d’une grande artère du centre de Bruxelles, le bâtiment s’ancre au tissu urbain environnant, en rentrant dans les alignements existants et en répondant à la typologie mitoyenne des façades classiques du XIXème siècle. Ce dialogue tant avec le contexte urbain qu’avec le contenu de l’art du spectacle a induit un travail sur la façade faite de transparence et d’opacité, comme un voile tiré sur les mystères du spectacle.

La parcelle exiguë présente une surface au sol de 2500m2 et impose à  la construction une configuration très compacte sur plusieurs niveaux. Les distributions verticales ainsi que les moyens de levage sont donc des éléments clefs pour l’usage du bâtiment.

 

Les foyers en continuité avec l’espace public

Le nouveau bâtiment a permis au Théâtre National d’affirmer son autonomie et une visibilité encore jamais connue depuis sa fondation en 1945. Dans ce projet, les contraintes sont devenues des espaces de liberté: il s’agissait de traduire les enjeux de l’institution tout en respectant les gabarits du boulevard haussmannien et en s’insérant dans l’exiguïté de la parcelle.

Il en résulte, entre autres, une façade transparente tout en rythmes et nuances qui se distingue de ces voisines tout en s’insérant dans l’ensemble du boulevard.

L’implantation ne permettant pas l’aménagement d’un espace public extérieur, celui-ci est intégré à l’intérieur et prend la forme de foyers généreux potentiellement lieux d’expressions artistiques «hors les salles». Ces foyers sont conçus comme une extension de l’espace public du boulevard.

 

3 salles, 3 atmosphères, 3 utilisations

Les trois salles assemblées de manière très compacte offrent des caractères et usages très différents.

La grande salle, à  “géométrie variable”, comporte 750 places. Elle permet des spectacles à l’Italienne, à l’Elisabéthaine, ainsi que diverses autres configurations de spectacle et de gradinage. Une continuité scène/salle s’impose. L’ensemble est donc plongé dans le noir. Elle est comparée à un grand piano. La petite salle, de 250 places et configuration à  l’Italienne, favorise un rapport intime entre spectateur et acteur. Il en résulte une ambiance chaleureuse qui fait écho au son d’un violoncelle. La salle de répétition est de taille identique au plateau de la grande salle et pourra accueillir des spectacles pour un public de 150 spectateurs dans une configuration de studio.

Dans les interstices, laissés libres par ces trois salles, se glissent toutes les fonctions indispensables au fonctionnement d’une machine à  produire et accueillir des spectacles. Les stocks décors, les locaux administratifs, les loges l’atelier costumes, un studio son, des ateliers machinos, stocks électros, stocks costumes, locaux techniques et autres trouvent encore leur place dans cet ensemble. Le résultat est comparable à  une fine mécanique, à  un corps vivant composé d’organes et de nervures complémentaires les uns des autres.

 

Scénographie et acoustique, les complices intimes de l’architecture.

Dans la grande salle, les multiples configurations attendues ont poussé à un usage accentué de passerelles au-dessus des spectateurs, un cadre de scène aussi large que la salle afin de garantir la continuité spatiale et une que  cage de scène équipée d’une grande quantité d’équipes manuelles et de motorisées sous les passerelles latérales et du lointain. A cela s’ajoute le proscenium pouvant servir de fosse d’orchestre, de gradin ou de plancher en prolongation de la salle et de la scène suivant les configurations. Dans la petite salle on retrouve une mêle logique de passerelles sur scène et sur salle afin de garantir une grande souples d’usage, malgré  le rapport scène-salle figée dans une configuration à l’italienne. Le studio offre quant à lui, les dispositifs des salles polyvalentes par un gril couvrant l’ensemble de la surface et un gradin mobile sur les quatre faces du studio et dans des jauges très variables.

Vu la configuration extrêmement serrée des trois salles, l’isolation acoustiques entre les trois outils scéniques fut de toute première importance. Les structures portantes de chacune de ces salles sont autonomes, ce qui fut une prouesse particulièrement pour le studio qui se superpose à la grande salle.

Autre difficultés : l’isolation de chacune de ces salles alors qu’un seul et même foyer les distribue et accueille leur public à l’entracte ou en fin de soirée. Une grande attention fut donc portée également à tout un ensemble de détails de menuiseries et de parachèvements afin d’isoler par des sas, d’atténuer par des absorbeurs de son, tout en garantissant la portance de la voix dans chacune des salles.


 

+ more

Het nationale theater zat aanvankelijk verborgen in de Martinitoren, tot die in 1999 werd afgebroken. Met de constructie van het nieuwe gebouw kwam het er dus op aan deze belangrijke instelling een nieuwe zichtbaarheid en transparantie te geven. Tegelijkertijd was er de wil om aan alle mensen die in de schouwburg aan de slag zijn een zeer performant werkinstrument te bieden. In die zin was er bij het ontwerpen nood aan een zeer sterke rationaliteit die moest resulteren in een op de essentie toegespitste architectuur.

Een dialoog tussen de stad en het theater

Het perceel situeert zich langs een van de grootste verkeersaders door het centrum van Brussel. Het gebouw verankert zich in het stedelijk weefsel door zich tussen de bestaande volumes in te passen. De gevel is uitgelijnd met die van de buren en beantwoordt op die manier aan een typologie van de klassieke negentiende-eeuwse gevels. De dialoog tussen deze klassieke context en de theaterwereld geeft aanleiding tot een weelderige gevel die speelt met transparantie en ondoorzichtigheid, als een sluier die de geheimen van het schouwspel verhult.
Het kleine perceel heeft een oppervlakte van 2500 m2 en vereiste van een zeer compacte configuratie over verschillende niveaus. De vertikale circulatie is bijgevolg een sleutelelement voor het gebruik van het gebouw. 

 

Foyers als uitbreiding van de publieke buitenruimte

Met het nieuwe gebouw kon het Nationaal Theater zijn autonomie en ongekende zichtbaarheid sinds 1945 bevestigen. In dit project werden de beperkingen ruimtes van vrijheid: de uitdagingen van de instelling werden vertaald met respect voor de gabarits van de Haussmann boulevard en binnen de beperkte afmetingen van het perceel.

Het resultaat: een transparante gevel, met ritmes en nuances die zich onderscheiden van zijn buren en zich tegelijkertijd integreren in het geheel van de boulevard.

Omdat de inplanting geen ruimte bood voor een publieke buitenruimte, werd deze geïntegreerd in de binnenruimtes onder de vorm van genereuze foyers, als mogelijk plekken voor artistieke expressie “buiten de zalen”. Deze foyers werden ontworpen als een uitbreiding van de publieke ruimte van de boulevard.

 

3 zalen, 3 sferen, 3 gebruiken

De drie zalen in het gebouw werden op een compacte manier geconfigureerd en hebben elk een sterk verschillend karakter en gebruik.De grote zaal heeft een “variabele geometrie” en telt 750 plaatsen, leent zich tot voorstellingen van Italiaanse tot Elisabethiaanse stijl en laat door de verstelbare tribunes ook andere opstellingen toe. De zaal en het toneel gaan in elkaar over. De zaal baadt volledig in het zwart en wordt vergeleken met een piano. De kleine zaal van 250 plaatsen heeft een Italiaanse opstelling en bevordert het intieme contact tussen toeschouwer en acteur. Er heerst een warme atmosfeer die wordt vergeleken met het geluid van een cello. De studio heeft exact dezelfde afmetingen als het toneel van de grote zaal. Er kunnen intieme voorstellingen plaatsvinden voor een publiek tot 150 personen.
In de resterende ruimtes tussen de drie zalen is alles ondergebracht wat noodzakelijk is voor de goede werking van een machine die voorstellingen produceert en ontvangt: decoropslag, administratie, loges, kostuumatelier, geluidsstudio, machinekamers, stockage van elektrisch materiaal en kostuums, technische lokalen... Ze vinden allemaal hun plaats in het geheel. Het resultaat is vergelijkbaar met een fijn radarwerk, een levend lichaam waarin alle organen en aders elkaar aanvullen.

 

Scenografie en akoestiek in nauwe samenwerking met de architectuur

In de grote zaal leidden de verschillende configuraties tot een gebruik dat geaccentueerd wordt door passerelles boven de toeschouwers, een toneelkader met de breedte van de zaal om een ruimtelijke continuïteit te garanderen en een toneelkooi die voorzien is van een groot aantal manuele en gemotoriseerde uitrustingen onder de zijdelingse en verre passerelles. Hierbij kan het voortoneel eveneens dienst doen als orkestbak, als tribune of als vloer in het verlengde van de zaal en het toneel al naargelang de configuraties. In de kleine zaal vinden we een logische mengeling van loopbruggen op het toneel en in de zaal die een soepel gebruik garanderen, ondanks de starre Italiaanse opstelling van de toneelzaal. De studio biedt de mogelijkheden van een polyvalente zaal door een roostervloer die de hele oppervlakte bedekt en een mobiele tribune op de vier zijden van de studio en met zeer gevarieerde maten.

Gezien de uiterst strakke configuratie van de drie zalen, was de akoestische isolatie van deze 3 scenografische instrumenten van groot belang. De draagstructuren van elk van de zalen zijn autonoom, een technisch hoogstandje wat de studio betreft die op de grote zaal gestapeld is.

Andere uitdagingen : de isolatie van elk van deze zalen evenals een enkele foyer die hun publiek verdeelt en ontvangt tijdens de pauze of op het einde van de voorstelling. Er ging eveneens veel aandacht naar het geheel van schrijnwerk –en afwerkingsdetails om te isoleren via de sasruimtes, het geluid te dempen via absorptie en tegelijkertijd het draagvermogen van de stem in elke zaal te garanderen.

+ en savoir plus

The stake of building a new home for the National Theatre, which used to be in the Martini tower until its destruction, in 1999, was to provide visibility to this major institution and transparency to its activities. At the same time, there was the will to give the performers a powerful tool and it meant being very rational designing the project, stripping architecture down to its essence.

Nature
New construction
Program
Theater with 3 halls
Location
Boulevard Emile Jacqmain 111 - 1000 Brussel
Duration
2000-2004 - completed
Client
French Community of Belgium-Louis Dewaele Real Estate
Author(s)
MA - L'Escaut-Architectes Associés-Atelier Gigogne / Full mission of architecture and scenography
Surfaces
gross : 12.000m²
Budget (excl vat)
20.000.000 € (arch.) + 2.500.000 € (scéno)
Team Escaut
Olivier Bastin - Eloisa Astudillo - Sinan Logie - Frédéric Desmidt - Cécile Chanvillard
More
Structure
Verdeyen & Moenaert
Fluids
VK Engineering
Acoustics
Capri Acoustique
Scenography
Changement à vue